zaterdag, september 30, 2006

Stemmingswisseling


Muurduwen Muorretriuwe


Een nieuw beroep: muurduwer.

Steeds meer huizen worden gebouwd met constructiefouten en het is vaak niet meer mogelijk om bij de noodgedwongen ontruimingen de bewoners elders onderdak te bieden. Veel gemeentes hebben nu de oplossing in een andere richting gezocht, de muurduwers. Deze duwers duwen in ploegendiensten van acht uur met hun voeten tegen de muren om zo instorting te voorkomen. Op de foto hierboven ziet u zo'n duwster aan het werk. De verwachting is dat in de komende jaren duizenden van zulke duwers nodig zullen zijn. Verschillende HBO-instellingen zijn hier al op ingesprongen en zijn gestart met de opleiding "muurduwen "

Wurk om 'e nocht

Of het nu om musiceren gaat of om filosoferen, om schilderen of om dichten – een werk van een genie is niet iets dat ergens toe dient. Nutteloosheid is de karakteristiek voor de werken van het genie, het is er de adelbrief van. Alle overige werken van mensenhand zijn er voor de instandhouding of vergemakkelijking van onze existentie, alleen die speciale waarvan hier sprake is zijn dat niet. Het zijn de enige producten die er uitsluitend omwille van zichzelf zijn en in die zin zijn ze op te vatten als de bloesem of als de zuivere opbrengst van ons bestaan. Bij het genieten ervan gaat dan ook ons hart open, want dan duiken wij op uit de aardse dampen van onze behoeftigheid. Analoog hieraan zien wij ook elders het schone maar zelden met het nuttige verenigd. ………..De mooiste gebouwen zijn niet nuttig: een tempel is geen huis om in te wonen. Dat een mens met edele en zeldzame talenten noodgedwongen louter nuttige bezigheden moet verrichten waartoe ook de banaalste persoon in staat zou zijn geweest, dat is alsof een schitterende, met het fraaiste schilderwerk versierde vaas als kookpot werd gebruikt. En nuttige lieden vergelijken met lieden van genie, dat is als het vergelijken van bakstenen met diamanten

Arthur Schopenhauer

Na het lezen van deze tekst heeft Doarmer zich voorgenomen, nooit weer iets nuttigs te ondernemen. Ook bij zaken, die hem worden opgedragen zal hij de vraag stellen “Het dient toch nergens toe , hoop ik.” Gelukkig is Doarmer werkzaam in een sector, waar hij zich al jarenlang bezig moet houden met dingen, die nergens toe dienen. Wat dat betreft werken er in deze sector alleen maar geniën .

vrijdag, september 29, 2006

As nimmen heart, is d'er gjin lûd

Im Kosmos und in der Geschichte erweitern wir ständig die Grenzen unseres Wissens. Es ist, als ob wir uns in der unabschlieβbaren Unendlichkeit des kosmisch und des geschichtlich Realen verlieren. Vor beiden wird die verschwindende Geringfügigkeit unseres Daseins bewuβt.
Aber der Kosmos? Er schweigt. Weiβ er von sich? In seiner Stummheit finden wir nicht das geringste Zeichen, daβ er ein Wissen von sich selbst hat. Wir aber wissen von ihm. Wir sind die auβerordentlichen Wesen, die von dem Gröβten, dem Kosmos, wissen und ihn erforschen können. Das Bewuβtsein der Nichtigkeit unseres Menschseins schlägt um in das Gegenteil.
Wenn wir nichts vom Kosmos wüβten, ist es dann nicht so, als ob er gar nicht wäre? Das klingt absurd.Aber wir fragen: Was wäre das für ein Sein, das nichts von sich weiβ und das von niemandem gewuβt wird? Wäre es die bloβe Möglichkeit des Gewuβtwerdens? Etwas, das gleichsam wartet, daβ es zur Erscheinung komme für ein Wesen, dem es erscheint? Sind wir, dieses Nichts im Kosmos, nicht das eigentliche Sein, nämlich das Auge, dem die Welt erscheint?

Ist der Gegenstand (=voorwerp) an sich da? Wir meinen ihn als solchen, der ist und zu dem wir kommen. Wir nennen ihn ein Etwas, ein Ding, ein Sachverhalt, ein Objekt. Doch er ist so, wie er sich zeigt, für uns. Weil wir sind, ist er so, wie er ist.

Karl Jaspers

donderdag, september 28, 2006

Betekenis Betsjutting

Wie aan alles wilde twijfelen, die zou ook niet aan de twijfel toekomen. Het spel van het twijfelen zelf veronderstelt al zekerheid.

"Ik weet het" betekent vaak: ik heb goede redenen voor mijn uitspraak. Dus wanneer een ander het taalspel kent, dan zal hij toegeven dat ik het weet. Een ander moet zich, als hij het taalspel kent, kunnen voorstellen hoe je zoiets kan weten.

Ludwig Wittgenstein


De filosoof Wittgenstein heeft zich veel met de betekenis van woorden beziggehouden. Een van de dingen, die hij benadrukt is, dat deze betekenis eigenlijk helemaal afhangt van “de omgeving”, hij noemt dit “een taalspel”. De betekenis bijvoorbeeld van “bewijs” is voor een rechtbank iets heel anders dan voor een natuurkundige en weer iets heel anders voor een historicus. De laatste zal bijvoorbeeld “van horen zeggen “ soms als bewijs moeten accepteren, voor een natuurkundige bestaat zo’n bewijs niet. Wittgenstein betrekt dit op alle betekenissen. Terwijl hij zo de betekenis van woorden “relativeert”, houdt hij ook een opruiming onder allerlei bestaande filosofische problemen, in de kern zijn het “taalproblemen” . Met de Tractatus probeerde Wittgenstein de filosofie in kaart te brengen en toen was het voor hem in grote lijnen opgelost. Voor de rest was er de uitspraak “Waarover we niet kunnen spreken , daarover moeten we zwijgen”.Een tijd lang heeft hij zich ook niet met filosofie beziggehouden, hij zette sowieso weinig op papier, sommige dingen weten we dan ook alleen via studenten, die zijn college’s volgden. Hij “improviseerde” dan veel.
Doarmer houdt van deze filosoof, omdat Doarmer in een omgeving werkt, waar ook een taalspel is, maar de spelregels zijn nogal onduidelijk.Eindeloze bijeenkomsten , omdat er woorden worden gebruikt, die voor de deelnemers verschillende betekenissen hebben. Soms vindt Doarmer dit leuk, want je kunt gewoon meepraten, als je maar die woorden gebruikt en wat je ermee bedoelt, dat weet je zelf niet eens, laat staan de anderen, maar het geeft een goed gevoel, vergelijk het met een preek, ook daar zit men om bepaalde dingen te beluisteren, die bij dat taalspel horen. De inhoud is in wezen niet belangrijk.
Wittenstein gaat nog verder : is het mogelijk de ander in een gesprek echt te “bereiken” , want wat zegt die ander ? Hij vraagt zich ook af wat wij eigenlijk willen als wij ons tot de ander richten en dat vraagt Doarmer zich soms ook af op zo’n bijeenkomst.

woensdag, september 27, 2006

Het is druk in het bos

Joachim Wtewael (1615)

Deze keer is de sater met zijn kruik spa bosvruchten light er ook bij. De lichaamstaal van de dame links zegt " Zij heeft het weer mooi versierd". Opvallend is ook het jongetje met het oorlogsspeelgoed, waarschijnlijk probeert hij een geit te raken.

dinsdag, september 26, 2006

Blûn Blond

Joan de Joanes (1579)

En weer wint de blonde en ditmaal zonder schoenen!

maandag, september 25, 2006

Het voordeel van het dragen van schoenen

Nog één keer de schilder B.

Met dit werk wil de schilder laten zien, dat mannen al op jeugdige leeftijd de voorkeur geven aan blondines, vooral als deze ook nog schoenen dragen. Let vooral op de gelaatsuitdrukking van het meisje rechts. Dodelijk. Dit in tegenstelling tot het meisje links, deze heeft haar plaats al geaccepteerd.

Als de avond komt As de jûntiid komt

‘k Scil for dy sjonge, as de jountiid komt,
wrâld, libben, minsken swije,
stiltme in wûnd’re wijing jowt
wirden en melodije.

‘k Scil for dy sjonge, as’t lúst’rjend hert
siele stimme forstiet,
trillet tomjitte de hertslach fen ’t swiet-
lûdich songene liet.

‘k Scil for dy sjonge! – de jountiid komt,
twiljocht oer alles leit….
yn ús klanken, yn ús muzyk,
om ús de ûneinichheid.

Rixt

Nieuwe oren Nije earen

Dies Buch gehört den Wenigsten. Vielleicht lebt selbst noch keiner von ihnen. Es mögen die sein, welche meinen Zarathustra verstehn; wie dürfte ich mich mit denen verwechseln, für welche schon heute Ohren wachsen? Erst übermorgen gehört mir. Einige werden posthum geboren.
Die Bedingungen, unter denen man mich versteht und dann mit Notwendigkeit versteht, ich kenne sie nur zu genau. Man muβ rechtschaffen sein in geistigen Dingen bis zur Härte, um auch nur meine Ernst, meine Leidenshaft auszuhalten. Man muβ geübt sein , auf Bergen zu leben, das erbärmliche Geschwätz von Politik und Völker-Selbstsucht unter sich zu sehn. Man muβ gleichgültig geworden sein, man muβ nie fragen ob die Wahrheit nützt, ob sie Einem Verhängnis wird..... Eine Vorliebe der Stärke für Fragen, zu denen niemand heute den Mut hat; der Mut zum Verbotenen; die Vorherbestimmung zum Labyrinth.

Friedrich Nietzsche: uit voorwoord der Antichrist

zondag, september 24, 2006

De waterlelies in het geel

Gisteren 23 september was het de dag van de” betinking”. Op het “Reaklif” werd de slag bij Warns herdacht. Op deze weblog heeft al eens een beschrijving hiervan gestaan. De invasievloot, die komend over de toenmalige Zuiderzee op de kust van het “heitelân” landde en een leger aan land zette, dat vervolgens compleet in de pan gehakt werd. Elk jaar wordt deze overwinning herdacht en zo hoort het ook, overwinningen herdenk je en je laat het aan je tegenstander over om je nederlagen te vieren. Tijdens de betinking werd een nieuwe Friese vlag gepresenteerd, een gemeenschappelijke vlag voor alle Frieslanden. In deze vlag zitten vier pompeblêden, de vlag is van het Scandinavische type, dit om de banden van Friesland met dat gebied te onderstrepen. Het is de bedoeling dat deze vlag ca. 3,8 miljoen mensen aanspreekt op hun Friese identiteit. Op het twiljocht kunt u de vlag zien.

zaterdag, september 23, 2006

Oer leafde, emoasjes en hertstocht.

De manie van de moralisten eist niet de controle over de passies maar de uitroeiing ervan. Zij komen steeds tot dezelfde conclusie: enkel de ontkrachte mens is de goede mens.

Nietzsche, Der Antichrist

De vergeestelijking van de zinnelijkheid heet liefde; zij betekent een grote triomf over het christendom.

Nietzsche, Afgodenschemer (Götzendämmerung)

In de filosofie worden “rede” en “passie” vaak tegenover elkaar gezet. De “passie” wordt dan als negatief gezien, iets wat hoe dan ook vermeden moet worden. Afstandelijkheid , apatheia, is het ideaal. Zo niet voor de filosoof Nietzsche, voor hem is de tegenstelling er niet en misschien dat hij zelfs “de passie” boven de “rede” stelt. Nietzsche vond ook het lichaam belangrijk en hij spreekt spottend over de christelijke “ Leibsverächter”. Voor hem bestaat het leven niet uit ontzegging (waarom zou je dat doen?) en nederig zijn, dit zijn oude slavengewoontes, maar uit passie en uitbundigheid. Niet voor niets heet één van zijn werken “ Die fröhliche Wissenschaft”, waarin hij een gepassioneerd leven verdedigt, waarin men niet schenkt uit medelijden, maar uit overvloed, waarin men niet bang is voor emoties, maar ze juist als kracht ervaart.


Als je op je zwaard vertrouwt, hoef je geen schild mee te dragen.

Uitspraak van Doarmer op een congres van visboeren

Kinderspeelgoed Berneboartersguod

Origineel

Bewerking

Nog een schilderij van B. voorstellende een vrouw, die wordt aangevallen door jongetjes met pijlen. Dit werk werd geschilderd in opdracht van “ De Vereniging van Vrouwen tegen Oorlogsspeelgoed”. Later is dit origineel bewerkt , men heeft o.a. de helmpjes verwijderd, omdat het toch door velen als schokkend werd ervaren. De Vereniging was vooral in de jaren zeventig van de vorige eeuw actief en heeft onder meer bereikt, dat het waterpistool, het cowboy/indianenpak en de plastic ridderuitrusting uit de schappen zijn verdwenen.

vrijdag, september 22, 2006

De vorm van een tafel

De ruimte kan niet van ervaringen afgeleid zijn, doordat ze aan iedere ervaring reeds ten grondslag ligt. Wat ik als werkelijkheid waarneem, neem ik in de ruimte waar. Zij is voorwaarde, opdat er anders geen voorwerp voor mij kan zijn. Men kan zich nooit een voorstelling ervan maken, dat er geen ruimte zou zijn, wel kan men echter alle voorwerpen eruit wegdenken.

Wanneer dingen als zodanig ons in de ruimte verschijnen, doen zij dit volstrekt niet noodzakelijkerwijs voor alle mogelijke subjecten. “Want wij kunnen van de aanschouwingen van andere denkende wezens in het geheel niet beoordelen of ze aan dezelfde voorwaarden gebonden zijn die onze aanschouwingen beperken”. Alleen van het “ standpunt van een mens” kan van ruimte gesproken worden. Voor de tijd worden overwegingen en bewijzen door Kant op overeenstemmende wijze aangevoerd.

Karl Jaspers over het kenvermogen bij de filosoof Kant

Als ik een tafel zie, nemen mijn zintuigen bijvoorbeeld “kleur” en “vorm” waar. Als ik alle zintuiglijke waarnemingen weglaat , houd ik toch de ruimte over (volgens Kant is deze a priori) net als de “tijd”. Mensen “plaatsen” alles in tijd-ruimte. Maar is dit de werkelijkheid als zodanig (Kant: das Ding an sich), dus de werkelijkheid los van onze waarneming? En betekent dit, dat Kant van mening is, dat onze wereld onwerkelijk is? Kant zegt: De wereld is een verschijning, maar geen schijn. Dit laatste doet Doarmer denken aan de discussie over het bestaan van God, daarover zijn de meningen verdeeld, maar de gelovigen zijn voor ons een realiteit.

Nectar

Als sie mich umschlang mit zärtlichem Pressen,
Da ist meine Seele gen Himmel geflogen!
Ich lieβ sie fliegen und hab' unterdessen
Den Nektar von ihren Lippen gesogen.

Heinrich Heine

donderdag, september 21, 2006

woensdag, september 20, 2006

Afdrukken Ôfprintsje

Het plaatje bij de tekst “In ûndogens boaike” moet op bevel van het Orgaan Weblogtoezicht zo snel mogelijk verwijderd worden. Er is namelijk bij het orgaan een klacht binnengekomen van een zekere Bengel Said en ook de u welbekende pastoor te H. heeft zich namens de kerk in de zaak gemengd. Doarmer heeft nog als alternatief gekregen om het plaatje zo te manipuleren, dat het ventje er gekleed op zou staan in een eigentijds speelpakje en ook de moeder moest meer bekleed worden. Doarmer heeft natuurlijk geweigerd. Kunst sluit geen compromissen, maar het gevolg van deze moedige beslissing is dus de verwijdering. Webloglezers, die het toch wel een leuk plaatje vonden, moeten het nu uitprinten.

Twee lachende rozen

De dei hat in godlike jefte my jown
Op myn wei ha’k twa laitsjende roazen foun.

Heech sloech myn hert, doe’t myn hân har omsleat:
De iene wie wyt en de oare wie read.

Wyt dy, as de snie fan it winterske lân;
Read dizze, as in herte fan hertstocht yn brân.

‘k Brocht stâlle nêst stâlle to drinken yn’t wiet;
‘t Wie moai as in dream dy’t yn wierheit bestiet.

Mar hja doarsten net stean yn it seingjende ljocht;
De bûgjende tsjelken, de groun ha se socht.

En stâllen en blêdden ha’k yneltsoar woun;
Sniewyt en bloedread yn in hillich forboun.

Fan myn wite roas siigde swijend in blêd –
Ik seach, it wie toar; ik skeinde ‘m net.

Nou sill’ hja foriene to bloeijen stean
Oant it libben har wijt ta in bloeijend forgean.

Myn roazen, jim strielende ienheit yn ‘t ljocht,
Hoe’n wûnder foar ’t hert, dat har twiveljend socht.....

Fedde Schurer