Doarmer
heeft onlangs bij het afscheid van P. nog gerefereerd aan de pater. Hier volgt
een gedeelte van de rede:
Beste
P. , jeugdige vriend, want je bent per slot van rekening één week jonger dan
ik, waarom laat je mij nu in de steek, want wat hebben we toch veel samen
meegemaakt. Samen stonden we in Greonterp voor huize Gras, waar de Nederlandse
volksschrijver Gerard Reve jarenlang heeft gewoond, we hebben de pet van
Slauerhoff aanschouwt, de pet, die nog steeds aan het hek van de pastorie in
Jorwert hangt. Jorwert, waar we ook het huisje van Geert Mak hebben bezocht. Ja
P., we hebben zelfs voor het Sjûkelân gestaan, het kaatsheiligdom in Franeker.
Maar het beeld van jou, dat het meest duidelijk op mijn netvlies is gebrand, is
ontstaan tijdens een bezoek aan een boerderij in het verre Gelderland. We
kregen daar een rondleiding en de enthousiaste boer vertelde ons van alles over
varkenshouderij en ineens dacht ik “waar is P.?” en toen zag ik jou, jij had
een big uit het hok gehaald en daar stond je, laarzen aan, het biggetje in je
armen, werkelijk P. onvergetelijk. Wat ons echter het meest verbonden heeft en
dat zullen weinigen zich gerealiseerd hebben, is het feit dat, hoewel wij op
een openbare school werken, wij beide diepreligieus zijn. En de leidsman in
deze was altijd onze geliefde pater Pierre de Bree. Hij is (hier) niet meer,
maar de ouderen onder ons zullen hem nog wel kennen. De Bree had niet dat
halfzachte, wat tegenwoordig zo kenmerkend is voor het christendom, nee de Bree
was voortdurend op zoek naar zonden en als hij ze vond bestreed hij ze
krachtdadig. U kunt zich voorstellen, dat hij aan het E. zowat een dagtaak had.
Dit instituut werd door hem ook steevast aangeduid als “het ketternest aan de
kade”. De Bree spaarde ons niet en zorgde ervoor dat wij op het juiste pad
bleven.